|
De
verbinding met de zender kan gebeuren met een simpele afgeschermde audiokabel.
Je moet wel opletten dat de zender en de antennes niet te kort staan bij
de audiobronnen. Indien dit niet wordt gerespecteerd bestaat er de kans
dat de zender inslaat op het audiomateriaal. CD-spelers zijn hier zeer
gevoelig voor. In dergelijk geval gaan de mechanische bewegende delen
oscilleren met het sterke signaal of met de nevenfrequenties. Het gevaar
bestaat dat de laserkop wordt ontregeld. Ook een hinderlijke brom kan
worden waargenomen in bepaalde delen van het audiomateriaal.
De afstand hangt uiteraard af van de sterkte van de zender. Bij een zender
met een vermogen van 20 Watt moeten zender plus antennes zeker een tiental
meter verwijderd zijn van het audiomateriaal. Er moet dan wel rekening
worden gehouden dat er een lange audiokabel nodig zal zijn om de zender
te verbinden. In dergelijk geval moet een kabel met weinig verlies en
metalen connectoren worden gebruikt.
Eerder werd
vermeld dat de antennes zo hoog mogelijk moeten worden opgesteld om zo
een kwalitatief mogelijk zendbereik te bekomen. Daarom zijn de meeste
antennes geplaatst op hoge kantoorgebouwen in het centrum van de stad.
Omdat het financieel moeilijk haalbaar is voor een lokale radio om zich
te huisvesten in dergeljke gebouwen wordt enkel een deel van het dak gehuurd
om de antenne te plaatsen. De zender wordt dan geplaatst ergens op de
hoogste verdieping, voorbeeld in de machinekamer van de lift. De studio
wordt dan gehuisvest in een nabijgelegen gebouw (met dan een betaalbare
huur) Omdat het verboden is zomaar een kabel door of over de straat
te leggen moet worden beroep gedaan op een onderneming die lijnen exploiteert.
Enkele jaren terug was enkel Belgacom bevoegd om dergelijke lijnen aan
te bieden. Momenteel kunnen ook kabelmaatschappijen en enkele privé-ondernemingen
deze diensten aanbieden.
Op de dag van
vandaag kan men kiezen uit analoge of digitale lijnen om de signaaloverdracht
van studio naar zender te sturen. Privé-ondernemingen bieden
enkel digitale lijnen aan en het zou mogelijk moeten zijn om met 64kB
(1 tijdslot of 8 subtijdsloten van een 2 Mb-lijn) een kwalitatief signaal
over te dragen met behulp van compressietechnieken. spijtig genoeg is de
prijs voor 64kB nog te hoog. Tevens zijn enkel de grote steden momenteel
beperkt bekabeld door privé-ondernemingen.
Belgacom biedt
betaalbare analoge lijnen aan die perfect het signaal kunnen overdragen.
Deze lijnen worden "radiolijnen" genoemd en twee kwaliteiten
zijn beschikbaar. Deze zijn gekend onder de kodes RADORD, hetgeen een
radiolijn is met een bandbreedte van 10 kHz, en de kwaliteit RAD15K met
een bandbreedte van ongeveer 15 kHz. Het verschil zit hem in de door Belgacom
gebruikte apparatuur, die moet garanderen dat de gevraagde bandbreedte
effectief beschikbaar is. Doordat er een aanzienlijk verschil in huurgeld
bestaat tussen beide kwaliteiten is het voor de lokale omroepen zogoed
als evident dat zij gebruik maken van de 10 kHz variant. Deze doorlaatband
wordt als "voldoende" aanvaard. Voor deze types van geleidingen, volstaat
het doorgaans een galvanisch paar ter beschikking te stellen. Voor de
15 kHz variant wordt gebruik gemaakt van een speciale versterker, waar
de doorlaatcurve door middel van een equaliser kan geoptimaliseerd worden.
Typische gebruikers zijn de openbare omroepen, die om kwaliteitsredenen
moeten kunnen beschikken over de complete 16 kHz band.
Toch even wat
prijzen mededelen voor een radiolijn 10 kHz. Hieronder worden de prijzen
vermeld die Belgacom hanteert sinds 1 maart 1999. Alle prijzen zijn BTW
inbegrepen. Voor de installatie moet momenteel 69.106 BEF worden opgehoest.
Het maandelijks abonnementsgeld is afhankelijk van de afstand tussen de
twee punten. Voor een zonale verbinding van 2 km betaalt men 2.732 BEF.
Bedraagt de afstand 5 km, dan betaalt men 5.092 BEF per maand. Men heeft
twee radiolijnen nodig wil men een stereosignaal doorsturen. In dergelijk
geval wordt de installatiekost en het abonnementsgeld vermenigvuldigd
met twee.
Voor een interzonale verbinding is de prijsberekening moeilijker
(en heel wat duurder). Er moet zowel zonaal van beginpunt tot het zonecentrum
van Belgacom, de interzonale afstand en zonaal de afstand van het zonecentrum
tot het eindpunt worden betaald. Daarbij kunnen nog eventueel junctiekosten
bijkomen indien het begin en/of het eindpunt niet rechtstreeks met het
zonecentrum kan worden verbonden en eerst langs de lokale centrale moet
passeren .
Voor een nationaal netwerk kan het daarom financieel interessanter zijn
om gebruik te maken van een satellietverbinding.
| Andere transmissietechnieken?
|
Met een Belgacomlijn
verlies je altijd wat aan kwaliteit en ISDN-lijnen zijn nogal duur.
Via satelliet is ook mogelijk maar hier hangt ook een prijskaartje aan
vast. Dit is enkel interessant voor een groot radionetwerk waar het moederstation
per satelliet het signaal doorstuurt naar de lokale stations. Anders is
er nog de mogelijkheid om te werken met straalverbindingen. Tussen twee
punten wordt het signaal overgedragen. Wel moeten de antennes
elkaar kunnen zien. Dit is enkel mogelijk als beide antennes zijn gemonteerd
op hoge gebouwen en/of hoge masten. Nadeel is wel dat gelijk wel voorwerp
dat in de straal komt de uitzending kan storen. Een voorbijvliegende vogel
kortbij één van de antennes
is al genoeg om een onderbreking van een seconde te veroorzaken.
Piet
Rens liet de redactie het volgende weten:
Velen plaatsen deze
dipolen inderdaad verkeerd. Bij de lokale omroep hier in Schagen op de
GSM mast van Vodafone was dit ook het geval. Ook door "professionele"
antennebouwers geplaatst!
Als je naar de dipolen
kijkt van Hirsmann bedoeld voor o.a. scheepvaart zie je dat deze niet
verkeerd gemonteerd kunnen worden. Het voedende deel van de dipool moet
altijd omhoog wijzen. Kijk in de ARRL handboeken, daar zul je vele
voorbeelden zien. De stub naar beneden heeft het zelfde effect als je
vermogen halveren. Het kost je namelijk 3db. De staandegolf meter zal in
beide gevallen gewoon een goede VSWR aangeven. Daar zie je dus niets aan.
De (open)dipool vind ik
overigens een ongelukkig gekozen antenne. Het is een halvegolf straler
die in het midden laag ohmig en op de uiteinden hoogohmig is. Ergens
daar tussen in zit dus je 50 ohm. Dit voedingspunt zoek je op met je
stub. Als nadeel gedraagt deze stub zich inductief vandaar dat er ook
een condensator in serie met de stub staat om dit weer uit te stemmen. Dit
geeft over het algemeen behoorlijk veel verlies.
De antenne heeft een
lage "Q" factor waardoor deze een grote bandbreedte heeft. Door de (ohmse)verliezen
in de stub loopt het rendement nog verder achteruit maar neemt de
bandbreedte natuurlijk toe.
Deze antennes worden in
"omroepland" gebruikt omdat vaak meerdere zenders op de antenne worden
aangesloten en deze nu altijd een goede aanpassing zien. Betreffende het
verlies wordt dit goedgemaakt door er gewoon meer vermogen in te stoppen.
Voor lokale omroep of
hobby, waar slechts 1 zender wordt aangesloten vervalt dit voordeel en
blijven de nadelen over.
In de praktijk is een
halvegolf, wat een dipool is, het kleinste wat nog wil stralen en dus
als antenne bruikbaar is.
Een groundplane bestaat
uit een kwart-golf straler geplaatst op een kunstmatig grondvlak wat
meestal ook uit kwart-golf elementen bestaat en schuin naar beneden
wijst. In totaal is een groundplane dus ook een halvegolf . Een
groundplane kun je dus ook als een asymmetrisch uitgevoerde open dipool
beschouwen. Vandaar dat er ook geen aanpassing van symmetrisch naar
asymmetrisch nodig is. Je coaxkabel is immers asymmetrisch!
Een groundplane en een
open dipool hebben dan ook de zelfde antennegain.
De “J” antenne is een
aan de uiteinde gevoede halvegolf straler met daar onder een kwartgolf
U-vormige stub. De impedantie aan de uiteinde van de halvegolf straler
is hoog en moet dus getransformeerd worden naar de 50 ohm van je zender.
Dit is nu precies wat die stub doet.
De stub straalt zelf
niet dus is de “J” antenne ook een halvegolf straler met de zelfde
antennegain als de groundplane of de dipool.
Nu heeft de dipool een
stralingsdiagram wat lijkt op een “8”. Het is dus niet wat we noemen:
een homogeen veld wat overeen zou komen met een stralingsdiagram als dat
van een voetbal. In de wetenschap willen we alles kunnen meten,
verklaren en vooral kunnen reproduceren. In theorie gebruiken we dus wel
een “voetbal stralingsdiagram” wat dus in de praktijk helemaal niet
bestaat. Om in theorie tot zo’n stralingsdiagram te komen moet de
antenne verkleind worden. Zelfs zo klein dat deze wat afmetingen betreft
net zo groot is als het kleinste deel in de meetkunde en dat is een
punt. Deze (theoretische) antenne noemen we dan ook een “puntstraler”
of isotoopstaler.
Een dipool zal de
energie die naar bepaalde kanten niet wordt uitgestraald, naar het
hoofdveld uitstalen. Met rekenen in de oppervlaktes van het “voetbal
stralingsdiagram” en het “8 kantig stalingsdiagram” kun je eenvoudig
bepalen dat de dipool in de hoofdveldrichting een antennewinst heeft van
2,15dBi. Dit is dus de (theoretische) winst ten opzichte van een (theoretische)
puntstraler. Ten opzichte van een dipool heeft de antenne natuurlijk
geen antennewinst en is dit dus ook 0dBd.
Ga je meerdere antennes boven elkaar
koppelen, dan kan je het stralingsdiagram beïnvloeden zodat er platter
over het aardoppervlak wordt gestraald. Alles wat in de ruimte verdwijnd
heb je niets aan en 2 antennes boven elkaar geeft op die manier maximaal
3db antennewinst. Voor 3dB antennewinst moet je altijd het bestaande
antennesysteem verdubbelen. Wil je in dit voorbeeld dus weer 3dB
antennewinst behalen, dan moet je dus van 2 antennes naar 4 antennes.
Het is simpel rekenen in de oppervlaktes van de stralingsdiagrammen. 4
antennes geven dus maximaal 6dB antennewinst ten opzichte van 1 antenne.
De totale antennewinst van 4 dipolen is dan ook 8,15dBi of
6dBd. In de praktijk zal door de verliezen in de stub en in de "koppelbalken"
deze winst niet worden gehaald.
Om dit nu te vergelijken met je zendvermogen:
Verdubbel je het zendvermogen, dan is dit +3dB. Aangezien het hier om
6dB gaat is dat dus twee maal een verdubbeling. 10Watt in 4 gekoppelde
antennes heeft (theoretisch!) dus het zelfde effect als 40watt in een
enkele antenne.
Nu ontstaan er natuurlijk nog de nodige
koppelverliezen. 4 antennes zullen op je “koppelbalk” een impedantie
geven van 50:4=12,5 ohm wat weer naar 50 ohm getransformeerd moet worden.
Een klein beetje weerstand in je “koppelbalk” zal dus grote gevolgen
voor het verlies hebben. Beter is het om de antennes 2 bij 2 te koppelen
en dat dan ook weer te koppelen. De Duitsers zijn hier altijd grote
voorstander van geweest wat men dan ook “groepen antennes” noemt. Grote
voordeel is ook dat de onderlinge fases tussen de antennes beter
behouden blijft en ook de vermogenverdeling tussen de antennes is
beter.
Kijken we naar de praktische uitvoering dan
wordt het wel een gevaarte. Immers de antennes zelf zijn zo’n 1,5 meter
lang en de tussenruimte moet ook een halve golf tot 5/8 golf bedragen
wat ook minimaal 1,5 meter is. Gemeten van de onderzijde van de
onderste antenne tot de bovenzijde van de bovenste antenne bedraagt de
totale antennelengte dus zo'n 10,5 meter. Aangezien dit alleen maar
naast de mast geplaatst kan worden zal het stralingsdiagram ook niet
rond zijn. De mast gedraagt zich immers als reflector!
Het kan anders! Nemen we
een 5/8golf straler dan heeft deze een antennegain van 3dBi. Twee
van deze antennes zou dus 6dBi aan antennegain geven. Deze
antennes worden boven op elkaar geplaatst zonder tussenruimte en
gekoppeld met een U-vormige stub van 1/8 golflengte. De onderzijde van
deze stub is 0 ohm wat naar boven toe hoger wordt. Ergens op die stub is
dus 50ohm (symmetrisch!) te vinden. Deze antenne staat bekend als de
Extended Dubble Zepp. In de amateurwereld wordt deze antenne ook veel
gebruikt echter dan verpakt in polyester stokjes. Er wordt dan een
voedingsaanpassing gemaakt aan de onderzijde van de antenne. Deze
aanpassing kan gewoon een afgestemde kring met een aftakking zijn. Zo is
de antenne bekend als de Ringo Ranger van de firma Hygain. De ring aan
de onderzijde van de antenne waar op gevoed wordt vormt een afgestemde
kring met de capaciteit die de antennevoet heeft. Zo wordt deze
capaciteit ook mooi aitgestemd. Diamond brengt meestal de polyester
stokjes uitvoering op de markt. Door wat slimme truukjes worden de
antennes vaak geschikt gemaakt voor meerdere (amateur)banden.
Natuurlijk is deze antenne niet zo
breedbandig als de dipool maar heeft wel een veel hoger rendement. Ook
zijn er geen koppelverliezen zodat het uitgestraalde vermogen (ERP)
vergelijkbaar is met 4 dipolen. De antenne kan gemakkelijk boven op de
mast geplaatst worden voor een rond stralingsdiagram De totale
antennelengte zal ongeveer 3,75 meter bedragen. (2 maal 5/8 golflengte).
Vergelijk dat maar eens met je 4 dipolen!
|