| De geschiedenis van de radio in België - deel 1: de eerste radiozenders. |
|
De lokale omroepen
op de FM-band bestaan nu ongeveer 20 jaar. De nationale radio bestaat
sinds het begin van de jaren 30. Daarvoor heeft er zich heel wat afgespeeld
in ons land. Wist u dat Albert I en Elizabeth één van de
eerste radioliefhebbers waren? |
| De eerste radiozenders in België |
|
In
1913 gingen dan de eerste proefuitzendingen met spraak en muziek de lucht in.
Zij kwamen vanuit een bijgebouw
van het Koninklijk paleis kortbij de Van Praetbrug te Laken (Laeken).
De
Italiaanse ingenieur Marzi bouwde een experimentele radiofonische lange
golf zender van 2kW.
De uitzendingen werden in de lucht gestuurd
via de frequentie 165 kHz.
Toch zou het nog tot de lente van 1914 duren vooraleer Koning Albert I ook een radio-ontvanger liet installeren. De allereerste uitzending kwam er op 28 maart 1914 om 20:30. Toen werd een concert, dat begon met een aria uit Tosca, uitgezonden voor de volledige koninklijke familie. Het was volgens getuigenissen van buitenlandse specialisten het eerste echte Europees radioconcert geweest. Het radiostation had nog geen naam. Men gebruikte gewoon de term TSF (Télégraphie Sans File). Het signaal reikte zo'n zeventig kilometer ver maar kon bij ideale omstandigheden zelf worden beluisterd tot in Parijs. Samen met Raymond Braillard zond Robert regelmatig gedurende verscheidene uren op zaterdag gesproken berichten en wekelijkse live concerten uit vanuit het Koninklijk domein. Beluister fragment-1 en fragment-2 uit 1914.
Men kon toen nog niet spreken van een groot luisterpubliek want rond die tijd waren er slechts een tiental lampenradio's in België. Voor zo'n radio moest je algauw 700 BEF neertellen, een heus bedrag voor die tijd. Begrijpelijk dat enkel de rijken zich een radiotoestel konden aanschaffen. Mensen kwamen toen samen om een uurtje naar de radio te luisteren. Een goedkopere oplossing bestond er uit een
kristalontvanger in elkaar knutselen. Met een koptelefoon, een zeer lange
antenne en heel wat geduld kon je zachtjes radioklanken ontvangen. Even terug naar TSF. In augustus 1914, bij het begin van WO I, werd het initiatief vanuit Laken stopgezet. Koning Albert gaf toen de opdracht om de installatie te vernietigen. De koning vreesde dat de zendinstallatie in handen van de Duitsers zou kunnen vallen. Tijdens WO I was radio een exclusief militaire aangelegenheid. Na de Wapenstilstand beschouwde de regering, die klaarblijkelijk nog wel andere en dringende zorgen had, de radio niet meteen als een prioriteit. Er heerste een klimaat was van redelijke vrijheid. De overheid bemoeide zich bijna nergens mee. Frequenties werden toegekend door het ministerie van PTT (Post, Telegraaf en Telefoon), de technische controle van de zendinstallatie gebeurde door de R.T.T. In Nederland was er de Fries Hanso Idzerda die meteen op de radioboot sprong. Hij was de eigenaar van een kleine fabriek van radio-ontvangers. Hij verkreeg een radiovergunning en op 6 november 1919 verzorgde hij zijn eerste radio-uitzending tussen 20:00 en 22:30. Zijn station had de naam PCGG dat stond voor Pracht Concerten Gratis Geven.
|
| Radio Belgique als eerste omroep |
|
In
1920 telde men in België reeds 26 radiotoestellen.
Men kon toen enkel luisteren naar uitzendingen van Duitse en Franse omroepen.
Om meer radiotoestellen te verkopen besloot SBR (Société
Belge Radio-électrique), een bedrijf dat radiotoestellen en zendapparatuur
vervaardigde in Vorst, te starten met een radiostation. Aldus werd Radio
Bruxelles geboren in 1922 dat enkel in het Frans enkele uren per dag
uitzond. Er waren concerten van lichte en klassieke muziek. Er was ook
nieuws, sportinformatie en zelfs een weerbericht. Er werd toen uitgezonden
in het gebouw van de Union Coloniale aan de Stassaertstraat te Elsene
met een vermogen van 1500 W op 732 kHz (410 m).
Eind 1923 ward de SA Radio Belgique opgericht. In ruil voor
de terbeschikkingstelling van haar zender werd SBR de grootste aandeelhouder
van de radio. De omroep verkocht zendtijd aan firma's, politieke
en godsdienstige verenigingen. Men besloot
ook om de naam te wijzigen. Radio Bruxelles werd Radio Belgique. De
eerste officiële uitzending van het nieuwe en beter gestructureerde
station ging de lucht in op 1 januari 1924. Meestal werd er muziek
uitgezonden, op een zeldzame station call of aankondiging na. Een maand
later startte men om 20:00 uur met debatten van openbaar, cultureel of
sociaal belang.
Het team
van Fleischman verzorgde dagelijks een journaal van een half uur.
Theo Fleishman maakte geen nieuwsbulletin dat
bestond uit het voorlezen van officiële communiqués, maar herwerkte
krantenberichten, volgens journalistieke criteria. De dagbladen vonden
dat minder prettig, maar eigenlijk bleef het bij gemor aan de zijlijn.
Sommige journalisten van de schrijvende pers waren best trots als hun
artikel werd voorgelezen op het nieuwe wonderlijke medium.
Het
journaal was volledig en bondig en was zowel betrouwbaar en verteerbaar.
De
geldmiddelen haalde Radio Belgique dan hoofdzakelijk uit reclame.
De opbrengst per reclameboodschap werd toen bepaald op 15 BEF. Tot 1926 was de exploitatie
van Radio Belgique echter verlieslatend.
Twee jaar later was er een
tweede Nederlandstalig signaal te ontvangen in Antwerpen. Radio
Belgique installeerde er een relaisstation. De uitzendingen vanuit
Veltem werden er opgevangen en via een andere frequentie doorgestuurd.
Dat gebeurde onder de naam Radio Zoölogie. Alweer niet onlogisch
die naam, want de zendinstallatie stond opgesteld in de dierentuin. Via
dit station werd er Vlaamse zendtijd gekocht door de neutrale Vlaamse
Radio Vereniging (VRV).
In West-Vlaanderen startte
in datzelfde jaar de Westvlaamse Radio Omroep vanuit Vichte bij Kortrijk.
In deze laatste plaats bevonden zich de studio's. De gebruikte
frequentie was 205 meter. Er werd uitgezonden met een vermogen van 250
Watt. Het
zou zelfs nog tot 1935 duren vooraleer ook in Gent en Loksbergen
radiostations van start zouden gaan. In Oost-Vlaanderen ging het om
Radio Vlaanderen, een omroep met sterk socialistische inslag. Het
Limburgse station had een sterke katholieke achtergrond.
De particuliere
zenders zonden uit met een straal van 30 tot 50km en dekten samen het
grootste gedeelte van België. De zenders van de radiostations
moesten wel op 8 kilometer van steden zijn verwijderd.
Dit was wettelijk
bepaald omdat AM-zenders nogal wat storing genereerden. Hieronder volgt
een overzichtstabel met de Vlaamse omroepen: Benaming
Tot
de Franstalige zenders behoorden Radio Liège (dagblad La
Wallonie, 125W), Radio Cointe en Radio Verviers (Micheroux),
Radio Seraing (Plainevaux), Liège Expérimental
(Beaufays), Radio Ottomont (Andrimont), Radio Ardennes (Libramont),
Radio Châtelineau (Châtelineau), Radio Binche
(Binche), Radio Wallonia - Bonne Espérance (Vellezeille),
Radio Schaerbeek (125W, Kraainem) en Radio Conférences
(Meise). |
| Het onstaan van de N.I.R. |
|
Het enthousiasme van Radio Belgique werd getemperd door de hoge kosten. Radio Belgique wilde wel staatssteun maar aan de andere kant koppelden de Vlamingen daar taaleisen aan. In 1928 werd onder het beschermschap van de christelijke middenstand en met steun van de machtige Boerenbond, een Vlaamse radio-omroep opgericht, de N.V. Radio. Met politieke steun werd de structuur van beide omroepen ondergebracht in een nieuwe openbare instelling.
Radio Belgique en NV Radio stopten dus met hun uitzendingen de dag dat het NIR-RNI werd opgericht. Het personeel werd tewerkgesteld in de nieuwe nationale omroep die voor het eerst in de lucht kwam op 1 februari 1931.
Vanaf toen kregen omroepverenigingen zendtijd
bij de nationale radio. Eerst werd er afgesproken om het aantal uren zendtijd
in functie te brengen van het aantal leden. Om discussies te vermijden
heeft men dezelfde zendtijd aan de drie grote politieke strekkingen toegekend.
Hieronder een tabel met de Vlaamse en Waalse radioverenigingen.
In Veltem werden twee zendstations van elk 15 kW opgericht. De Nederlandstalige omroep kreeg de golflengte 321,9 meter (927 kHz) en de Franstalige omroep werd gehuisvest op 483,9 meter (621 kHz). Dit zijn nog steeds de vaste frequenties van respectievelijk VRT's "Radio 1" en RTBF's "La première". 18 juni 1930 was dus de datum van de geboorte van de nationale omroep. Twee dagen later kwam toenmalig minister Lippens af met een wet op luistergeld van ontvangsttoestellen. Een jaarlijkse taks van 60 BEF (1,50 Euro) werd geheven op alle bezitters van een lampenradio. De eigenaars van een kristalontvanger werden belast met 20 BEF (0,50 Euro). Dit was voor die tijd een fiks bedrag. Er waren toen reeds 76.872 radio-ontvangers in ons land. Het bezitten van een radio was toen in want het jaar daarna telde men reeds meer dan 200.000 toestellen. Aanvankelijk zond het NIR alleen 's avonds uit tussen 17:00 en 22:00. In totaal werd er dus wekelijks voor vijfendertig uur uitgezonden, dat verdeeld moest worden tussen het eenheidsinstituut en de omroepverenigingen. Het eenheidsinstituut nam drieëntwintig uren voor zijn rekening, de twaalf overige uren werden verdeeld door middel van een puntensysteem (zie tabel hierboven). De omroepverenigingen mochten gesproken uitzendingen en muziekprogramma's verzorgen. Zij moesten alle kosten zelf dragen maar mochten gratis gebruik maken van het omroeporkest en technische assistenten. De teksten moesten ten minste drie werkdagen op voorhand worden ingeleverd. Het NIR onderzocht of de teksten niet strijdig waren met de wetten, geen gevaar voor de openbare orde opleverden, de goede zeden niet aantastten, de overtuiging van anderen niet kwetsten of geen belediging van een andere staat inhielden. Ook de grammofoonplaten ontsnapten niet aan de controle. Het NIR-RNI zond uit vanuit het omroepgebouw aan het Flageyplein te Elsene. Het Art Déco-gebouw werd in 1938 feestelijk in gebruik genomen. Het herbergde de aller-modernste studio's van heel Europa. De Franstaligen huisden in de linkervleugel, de Vlamingen kregen de rechtervleugel toebedeeld. Beide nationale omroepen hadden, op enkele details na, precies even veel ruimte en mogelijkheden gekregen.De grote muziekstudio had een uitstekende akoestiek en ontving de beroemdste muzikanten. Omdat de zendmast in Veltem stond, waren er moeilijkheden om overal beluisterbaar te zijn. De Regionale zenders deden dit wel en hadden trouwens de meerderheid van het luisterpubliek. Dit werd vastgesteld door de RTT die in 1939 een marktonderzoek deed onder de eigenaars van de 1.112.900 radiotoestellen die ons land toen telde. Deze zenders werden geprefereerd door het volk omdat zij meer artistieke programma's en regionale nieuwsberichten verzorgden. De inkomsten van de particuliere radio's bestond hoofdzakelijk uit reclame dat via de microfoon werd verspreid. Zij kwamen dan ook vaak in moeilijkheden met de NIR die radioreclame verbood. Zo ontstond in 1932 een rel rond de sluiting van Radio Schaerbeek door minister Bovesse die later, onder druk van de luisteraars, op zijn beslissing terugkwam.
|